vrijdag 9 december 2016

Review: Fapardokly - Fapardokly

Gear Fab 2016 (GF-280)

Eind 1963 stopte zanger/sologitarist Merrell Fankhauser met de surf band The Impacts uit Pismo Beach en verhuisde hij naar Lancaster, Californië.
Daar ontmoette hij sologitarist Jeff Cotton en vormde hij de band Merrell And The Exiles, waarbij de andere leden Jim Ferguson - basgitaar en Greg Hampton - drums waren.
De band werd door Glenn Records, uit Palmdale, ontdekt en begon hun nummers in de studio op te nemen, waarvan "Too Many Heartbreaks", dat Merrell in 1961 had geschreven, de A-kant van hun debuut single op het Glenn label werd en "Please Be Mine", een nieuwe song, de B-kant.
De single kreeg de nodige airplay en belandde, in april 1964, op de negende plaats van het lokale radio station KUTY, waarna het Glenn label nog 3 singles van de band uitbracht in 1965, 1966 en 1967, respectievelijk: "Send Me Your Love"/"Don't Call On Me", "Sorry For Yourself"/"I Saw Susie Cryin" en "Tomorrow's Girl"/"When I Get Home", waarvan laatstgenoemde het meest succesvol was en nationaal airplay kreeg, zelfs in Dick Clarks radio programma American Band Stand.
In de tussentijd was de band ook diverse malen van samenstelling veranderd, waarbij alleen Merrell de constante factor was en werden er door de band en diverse studio muzikanten genoeg songs opgenomen om meer dan 2 albums te vullen.
Nadat de band in 1967 hun laatste single "Tomorrow's Girl" had opgenomen, verhuisde Merrell in mei dat jaar terug naar Pismo Beach, waar hij de band Fapardokly oprichtte.
De naam kwam van de begin letters van de achternaam van de leden van de band, die bestond uit: Merrell Fankhauser - zang en sologitaar, Parrish - basgitaar (die slechts tijdelijk mee speelde), Bill Dodd - zang en sologitaar en Dick Lee - drums.
Na korte tijd werd Parrish vervangen door zanger/basgitarist John Oliver, waarna enkele maanden later het Glenn Records label contact met Merrell opnam om te vragen, of de band een LP uitbrengen met sommige oudere en nieuwe nummers.
De band reisde naar Palmdale en ging de studio in, waar diverse songs werden opgenomen, maar ook nam de band een nummer op in de Gold Star Studio te Hollywood.
Het Fapardokly album, dat 12 nummers bevat, verscheen in 1967 via het UIP Records label, waarbij de chronologische volgorde niet aangehouden werd, maar bij de songs wel vermeld staat, wie er speelt.

Het album start met "Lila", een mooie rustige pop song uit 1966, die in de Gary Paxton studio te Hollywood werd opgenomen in de bandbezetting: Merrell - zang en sologitaar, Mark Thompson - orgel, Jody Cobb - basgitaar, John Parr - drums, Don Aldridge - zang en Gary Lotspeich - zang.
Daarna staat "The Music Scene" van Fapardokly op het album, dat in 1967 in de Gold Star te Hollywood werd opgenomen door: Merrell Fankhauser - zang en sologitaar, Bill Dodd - zang en sologitaar, John Oliver - zang en basgitaar en Dick Lee - drums en dit is een prettig in het gehoor klinkende pop song, die in een gemiddeld tempo gespeeld wordt, waarna "Sorry For Your Self" volgt en Merrell And The Exiles een song in de stijl van Buddy Holly spelen, waarbij de band bestaat uit: Merrell Fankhauser - zang en sologitaar, Larry Willey - zang en basgitaar, Jim Ferguson - basgitaar, Greg Hampton - drums en John Dey - orgel, terwijl het nummer in 1965 in de Glenn Records studio werd opgenomen.
Het volgende nummer heet "Glass", een aanstekelijke, vrij rustige, licht psychedelische pop song uit 1966 (Gary Paxton studio) en hierop zijn: Merrell - zang en sologitaar, Mark Thompson - orgel, Jody Cobb - basgitaar, John Parr - drums, Don Aldridge - zang en Gary Lotspeich - zang de spelers en dit nummer wordt gevolgd door "Tomorrow's Girl" (Audio Arts Studio te Hollywood, 1967) dat weer onder de naam Merrell And The Exiles vermeld staat en Merrell - zang en sologitaar, Larry Willey - zaang en basgitaar, Mark Thompson - orgel en Randy Wimer - drums de band vormen,  die een lekker swingende uptempo mix van garagerock en beat ten gehore brengen.
In "Susie Cryin" van Merrell And The Exiles (Glenn Records studio, 1965) is een rustige jaren 50 achtige pop song te horen, die vertolkt wordt door: Merrell - zang en sologitaar, Jim Ferguson - basgitaar, Greg Hampton - drums, John Day - orgel en Bruce Ulch - trompet en in "Mr.Clock" (Gary Paxton studio, 1966) speelt de band weer een heerlijke aanstekelijke licht psychedelische pop song, waarbij de bezetting bestaat uit: Merrell - zang en sologitaar, Mark Thompson - orgel, Jody Cobb - basgitaar, John Parr - drums, Don Aldridge - zang en Gary Lotspeich - zang.
Vervolgens staat Fapardokly vermeld (Merrell, Bill, John en Dick) die "Gon To Pot" uit 1967 (Glenn Records studio) spelen en een schitterend psychedelisch instrumentaal laten horen, waarna "No Retreat", een uitstekende licht psychedelische pop song van Fapardokly (Merrell, Bill, John en Dick) te horen is.
Daarna volgen "Too Many Heartbreaks", een lekkere opgewekte swingende jaren 50 song, (Glenn Records,1964) van Merrell And The Exiles (Merrell, Jim, Greg en Jeff Cotton - sologitaar), "When I Get Home", een dansbare pop song met jaren 50 invloeden (Audio Arts studio, 1967) van Merrell And The Exiles(Merrell, Mark, Larry en Randy Wimer - drums) en "Supermarket", een swingende pop song, waarin de trompet ook nu weer een belangrijke rol speelt en in 1966 in de Gary Paxton studio door Merrell, Mark, Jody, John en Bruce opgenomen werd.

"Fapardokly" van Fapardokly is weer zo'n uitstekende CD, die op het Gear Fab label is verschenen en vol staat met heerlijke zestiger jaren muziek en ik kan deze dan ook van harte aanbevelen aan hen, die naar die periode terug verlangen, maar ook aan hen, die benieuwd zijn naar de muziek van toen.

zondag 28 augustus 2016

Review: The Bleu Forest - A Thousand Trees Deep

Gear Fab-2016 (GF-279)

Eind 1965 begonnen Michael Cullen - zang en sologitaar, Gary Heuer - zang en sologitaar en Jack Caviness - drums, uit Moorpark, Californië, samen te spelen en eigen nummers te schrijven.
Na een half jaar kwam Ed Steele (basgitaar) dit trio versterken en nadat hij ingewerkt was, begon de band in en rond Moorpark op te treden, waarbij het publiek goed reageerde op hun zelf geschreven nummers.
De band werd geboekt voor een open microfoon avond, die in The Troubadour te Hollywood plaats vond en werd daar ontdekt door Jimmy Haskell, die onmiddellijk een afspraak met hen maakte om een demo in zijn huisstudio op te nemen.
Gary en Michael werden opgeroepen om hun militaire dienstplicht te vervullen en gingen naar Canada, waar vandaan Gary na enkele maanden terug keerde.
De band bestond toen weer in de oorspronkelijke bezetting op Michael na hij werd vervangen door Larry Wiseman - keyboards en Rohn Barkley - sologitaar en zang.
De nieuw ontstane band, die zich The Bleu Forest noemde, begon eigen nummers te schrijven en Michael, die de eerdere songs had geschreven, gaf de band toestemming, deze te gebruiken.
Jimmy Haskell had studio tijd voor hen geregeld bij Valley Recording Studio in Noord Hollywood, om een album op te nemen, dat "A Thousand Trees Deep" ging heten en onder leiding van Freddie Piro, die onder andere met The Grassroots had gewerkt en later ook de producer van Ambrosia en vele anderen zo worden, maakte de band de opnamen van hun plaat, die ongeveer 6 maanden zouden duren en in 1968 op een Ampex 8 sporen 2" recorder werden opgenomen.
Er was veel interesse voor het album van diverse grote platen labels, waaronder Tower Records, maar nadat er enkele maanden verstreken waren verliet Rohn de band om persoonlijke redenen en omdat The Bleu Forest nu geen zanger meer had, ging de platen deal niet door.
Antonio Barreiros van Golden Pavillion Records bracht het album alsnog op vinyl uit in januari 2016 en informeerde Roger Maglio van Gear Fab Records over de plaat en de mogelijkheid deze op CD uit te brengen en dat resultaat is te horen via deze nieuwe uitgave (GF-279).

Het album, dat 10 nummers bevat, start met de titel song "A Tousand Trees Deep" en daarin speelt de band een heerlijke licht psychedelische pop song in een gemiddeld tempo, die gevolgd wordt door "Look At Me Girl", een schitterende rustige pop song, die orkestrale begeleiding heeft.
Daarna volgt "Bitter Street", een uptempo song, waar uitstekende samenzang in zit en ook dit nummer wordt orkestraal begeleid, waarna "Story Of A Sort" te horen is en hierin speelt de band een vrij rustige pop song, die diverse subtiele tempowisselingen heeft.
Het volgende nummer, dat "That's When Happiness Began" heet, lijkt instrumentaal lichtelijk op "Hey Little Girl" van The Syndicate Of Sound en is een lekker in het gehoor klinkende mix van beat, garagerock en pop.
In "Words In My Mind" laat The Bleu Forest een fantastische swingende mix van garagerock en beat horen, die iets over de helft tijdelijk rustiger wordt, maar al snel weer terug keert naar het tempo en ritme, waar mee begonnen was en in "Through With You" speelt de band weer zo'n prima pop song, die een licht progressief orgelspel bevat.
Verder staan "She Said She's Leaving", een prachtige pop song, die in een gemiddeld tempo gespeeld wordt, "Knock Knock", een heerlijke aanstekelijke pop song, waar lichte progressieve invloeden in zitten en "Trouble", een uitstekende afwisselende pop song met een aanstekelijk ritme.

Ook nu weer is Roger Maglio er in geslaagd een prima onbekende band uit de jaren 60 her uit te brengen en ik vermoed, dat iedere liefhebber van zestiger jaren muziek, deze uitgave zeker op waarde zal weten te schatten.

zondag 29 mei 2016

Review: Reason - The Age Of Reason

Gear Fab 2016-(GF-278)

Over de band Reason is weinig bekend, behalve, dat de band bestond uit: Billy Windsor - sologitaar en zang, Tommy Dildy - keyboards en zang, J.Jenson - basgitaar, T. Gorka - basgitaar en Bill Manning - drums en zang.
Ook is bekend, dat Reason in 1969 het album "The Age Of Reason" via het Georgetown Records label uitbracht, dat in dat zelfde jaar bij Track Records te Washington werd opgenomen onder leiding van opname leider Bill Tate en gemixt werd door Jose Williams, terwijl de productie door Bill Manning gedaan werd.

"The Age Of Reason" bevat 8 nummers, waarvan "This Wheel's On Fire" de eerste is en daarin speelt de band een heerlijke progressieve rock uitvoering van de Bob Dylan cover, waarbij het orgel een belangrijke bijdrage levert en tevens zijn er lichte symfonische rock invloeden in deze song te horen.
Daarna laat de band een versie van "Stay With Me Baby" horen, waarin soul en progressieve rock invloeden gemixt worden en er een uitstekende van deze song te beluisteren is, die gevolgd wordt door "I'm Blue", een verrukkelijke swingende mix van soul, pop en progressieve rock, waarbij het moeilijk is om stil te blijven zitten.
Dan volgt "Don't Try To See Through Me", waarin de band een mooie pop song speelt, die een gemiddeld tempo bevat, waarna Reason vervolgd met "The View From Tim Thompson's Cell", de eerste van de 2 eigen composities.
Hierin doet de zang enigszins denken aan die van Grand Funk Railroad en ook de muziek heeft een progressief karakter, waardoor dit een fantastisch nummer is om naar te luisteren.
In het volgende eigen nummer, "Letter To Home" speelt de band een vrij rustige countryrock song en in "Bang Bang", dat door Sonny Bono (Sonny & Cher) geschreven werd, brengt de band een geweldige progressieve rock uitvoering van dit nummer ten gehore, waarin diverse tempowisselingen zitten en kan wedijveren met "The Beat Goes On" van Vanilla Fudge, dat eveneens van de hand van Sonny Bono is.
Het laatste nummer van het album heet "Temptations Bout To Get Me" en daarin speelt Reason een prima mix van soul en rock in de stijl van The Peddlers in een niet al te hoog tempo.

Roger Maglio van Gear Fab is er ook deze keer weer in geslaagd een schitterend album van een onbekend gebleven band te vinden, dat naar mijn mening in elke collectie van progressieve rock liefhebbers thuis hoort.


zaterdag 9 januari 2016

Review: Robbie The Werewolf - At The Waleback

Gear Fab-2016 (GF-277)

Clyde Edgar "Robbie" Robison werd 27 januari 1938 te Kennet, Missouri, Amerika geboren en deed, net zoals zoveel Amerikanen zijn militaire diensttijd in Vietnam.
Nadat hij een motor ongeluk had en daardoor infectie aan zijn been opliep, werd hij uit militaire dienst ontslagen en kreeg hij een klein pensioen.
Tevens had hij last van zijn bloedsuikerspiegel, waardoor zijn gemoedsstemmingen nogal wisselden.
Vanaf de tijd, dat hij zich in Seattle vestigde, begon hij zijn alternatieve persoonlijkheid The Rocking Werewolf te ontplooien, die een parodie was op de rock & roll, die gemixt werd met thema's van universele monster films van de jaren 30 en 40.
Tegen de tijd dat de folk muziek zijn hoogtepunt bereikte, woonde hij in een appartement boven het Circe's Cup koffie huis, waar zijn Robbie The Werewolf  act gedurende enkele maanden van 1961 een populaire attraktie werd.
Hij schreef zijn eigen songboek en voorzag zijn teksten, die een parodie waren op folk song, van illustraties, die hij uit printte en na zijn optredens verkocht.
Tijdens één van die optredens ontmoette hij zijn eerste vrouw, Louise Camille, met wie hij in 1962 trouwde, maar een jaar later, na de geboorte van hun zoon, al scheidde.
Na de scheiding vertrok hij naar de San Francisco Bay Area en kwam in de folk scene tussen Marin en Sausalito terecht, waar hij Barbara Moyer ontmoette, een begenadigde zangeres, waarmee hij niet alleen ging samen werken in het koffiehuis circuit, maar ook mee trouwde.
Ze gingen aan de zuid baai in Hawthorne wonen en speelden soms als trio met één van hun muzikale folk vrienden, maar om serieus geld te verdienen ging Robbie werken bij de lokale Mattel speelgoed fabriek.
Één van de clubs waar ze veel optraden was de Waleback, vlak bij Venice Beach te Santa Monica en het was op een avond in 1964, dat Robbie's solo act werd ontdekt door technicus Reice Hamel, die nu bekend  staat als een pionier op het gebied van live opname technieken.
Van de opnamen, die daar gemaakt werden, staan er 13 eigen composities op de CD "At The Waleback", die door het Gear Fab label is uitgebracht.

De CD start met "Vampire Man", dat met een aankondiging begint, waarna Robbie een humoristische folk song ten gehore brengt, zichzelf daarbij begeleidend op gitaar en dit nummer wordt gevolgd door "Drums And Guns", een schots klinkende folk song, die een hoog meezing gehalte bevat.
Daarna speelt hij "My Little Brother", een lekker in het gehoor klinkende folk song met een aanstekelijk ritme, waarna "Frankie-Stein" volgt en daarin speelt hij een song in de stijl van Trini Lopez's "If I Had A Hammer", died net als alle andere songs vooraf gegaan wordt door een uitleg over de songs.
Dan volgt "That Judge", een heerlijke vrij heftig gespeelde folk song, die gevolgd wordt door "Censored Man", waarin Robbie een lekker swingende song speelt, die uiterst dansbaar is.
In "Count Dracula" speelt hij een vrij rustige song humoristische song en in "Lucifer" een korte snelle folk song, terwijl de folk song "Streets Of Transylvania" nog korter is en nog geen minuut duurt.
Het volgende nummer heet "Rockin' Werewolf" en daarin speelt hij een geweldig swingende rock song, waarna hij vervolgt met "Inside Story Of Flamenco", een flamenco nummer, waarin, behalve het verhaal over de muziek, ook uitstekend gitaarspel te horen is.
vervolgens speelt hij "Tip Toe Through The Wolf Bane", een persiflage op het nummer "Tiptoe Through The Tulips" van Tiny Tim, om af te sluiten met "Censored Dooley" en ook dat is een persiflage en wel op het nummer Tom Dooley".

De live CD "At The Waleback" van Robbie The Werewolf, die overigens in juli 2000 gestorven is, is er eentje waar je als muziekliefhebber niet om heen kan en staat vol heerlijke folk songs, die vergezeld gaan van een grote dosis humor en ik kan dan ook verder nog opmerken, dat Roger Maglio er opnieuw in geslaagd is een uitstekende plaat te lokaliseren, om deze op zijn Gear Fab label uit te brengen.

vrijdag 18 september 2015

Review: Various Artists - Psychedelic States Florida In The 60s Vol.4

Gear Fab-2015 (GF-276)

Voor de serie Psychedelic States is het Roger Maglio weer gelukt onbekend gebleven bands uit Florida te vinden, die hun medewerking hebben verleend om op Vol.4 te verschijnen.
De CD, die 26 nummers van 25 bands bevat, start met Dave & The Wanderers uit Miami, die het nummer "My Heart Is In Pain", een lekker in het gehoor klinkende beat song, spelen en dit in 1966 door Criteria als demo uitbracht met "What's Wrong With You" als B-kant.
Daarna is het de beurt aan The Absolutes uit Barlow, die hun single "Nobody But Me" / "Yesterday, I", een mooie rustige pop song, in 1968 via het Paris Tower lebel uitbracht en dit nummer wordt gevolgd door "Message In A Bottle", een uitstekende mix van soul en rock, van A Quest uit Tampa, die dit nummer samen met "Only Lovers Survive" in 1970 op een demo via Criteria zagen verschijnen.
Van de volgende band, die New Generation heet, is niet bekend waar ze vandaan kwam, maar wel dat de single "Love Don't Pay", een prima licht psychedelische pop song, in 1967 via het Tener label verscheen.
Het volgende nummer, "I Remember", een schitterende beat song, die me aan "I Can't Explain" van The Who doet denken, is begin 1967 als demo via Criteria uitgebracht door Sweet Young Things uit Miami en wordt gevolgd door "Hands Are Only To See", een heerlijke progressieve pop song, van The Bitter Ind uit Jacksonville, die dit nummer in 191967 samen met "Baby Blue" op single uitbrachten via "ACP.
The Wrong Numbers uit Mount Dora bracht in 1966 de single "I Wonder Why" /  "The Way I Feel", een prachtige beat song, via het Hi Cat label uit en Scotlind Yarde uit Hollywood maakte in 1967 de demo "Why" / "Shadows In The Dark", een prima garagerock song, voor het Audio Disc label.
Dan volgt "Love Your Fellow Man", een lekker swingende beat song, die "Can You" als achterkant heeft en door Sir Michael & The Sounds in 1967 via het Dig label werd uitgebracht, waarna The Jesters uit Naples volgt met hun in 1965 verschenen demo "You Can Have Her" / "I'll Laugh At You", waarin de band een uitstekende uptempo beat song laat horen.
"Is This The Dream", een heerlijke beat song, van Certain Amount uit Gainsville, is in 1967 verschenen via het Pres To Hit label en werd door Rod Argent (Zombies) geschreven en heeft "No Reply" als B-kant en "Revenge", een uptempo licht psychedelische beat song, uit 1966, werd door de uit Ft. Myers afkomstige band Castaways Five samen met "It's Over" via het Raol label uitgebracht.
The Vandals uit Hollywood maakten in 1965 de single "Mystery" / "We're The Vandals", een eigen versie van "Let's Have A Party", die door het Parole label uitgebracht werd en The Non-Pareils uit Madeira/Redington Beach bracht hun single "Willow Tree" / "Painter Man", een geweldige swingende beat song, in 1967 via Five Star Productions uit.
Vervolgens speelt The Limey's uit Miami het nummer "Come Back", een schitterende swingende beat song, dat in 1966 samen met "Green And Blue" op single verscheen en door het Sherwood label werd uitgebracht, waarna de uit Miami afkomstige band The Fugue volgt, die in 1968 via Criteria de demo "Love" / "So Lonely", een rustige pop song, uit bracht.
The Raven kwam uit St.Petersburg en maakte in 1968 voor het Rust label de single "Calamity Jane" / "Now She's Gone", een prima licht psychedelische pop song en The Stix And Stonz uit Miami bracht hun single "The World", een uitstekende mix van soul, beat en een vleugje garagerock, via het Pat label met "I Can't Quit" als B-kant.
Ecumencical Drugstore kwam uit Chattahoochee en in 1968 bracht de band de single "I'm Tired" / "I'd Really Like To Watch You Fly", een prima beat song, via Tener uit en van Rhythm's Children is niet bekend van waar de band kwam, maar wel dat de single "Hard To Believe", een redelijk klinkende beat song, in het voorjaar van 1967 via Tener verscheen.
Ook van Hill is niet bekend waar de band vandaan kwam, maar hun single "I Gotta Get Thru" '"Reflections", een uitstekende pop song, uit 1969 verscheen via het Hyperbolic label en het volgende nummer, "Why", een goede beat song van Scotlind Yarde, is de achterkant van "Shadows In The Dark".
Uit Chatahoochee kwam de band Bryllig & The Nymbol Swabes, die in 1967 de single "Sunshine" / "Now You're Gone", een schitterende melodische beat song, via het Suwannee label uit bracht.
The (Fab) Phatons uit Pensacola maakte in 1966 de single "I've Got That Feeling", een fantastische beat song, naar Britse stijl, voor het Unique label met "Stubborn Kid Of Fellow" als achterkant en The Crypt uit Jacksonville bracht in 1968 hun single "You Keep Me Hanging On" / "Love, I'll Never Know", een vrij rustige beat song, via het eigen Crypt label uit en uit Orlando kwam The Chosen Few, die onder de naam Mustard Jar in 1967 de schitterende garagerock song "Try It", uit bracht.

Ook deze keer is Roger Maglio er in geslaagd een CD samen te stellen met schitterende muziek uit de jaren 60 en ik kan de CD "Psychedelic States Florida In The 60s Vol.4" dan ook aanraden aan iedere muziekliefhebber van dit tijdperk.

dinsdag 31 maart 2015

Review: Sweet Marie - Sweet Marie 1

Gear Fab 2015-(GF-275)

In 1969 werd te Honolulu, Hawaï de band Sweet Marie opgericht, doordat tekstschrijver, muzikant en producer bij Capitol Records Prince Teddy, het idee kreeg een rock & roll trio te beginnen, waarin ook psychedelische rock gespeeld werd en ook harmonische klanken moest hebben.
Hij benaderde opname technicus, sologitarist Sonny Lathrop met dat idee en samen haalden ze drummer Willy Bims over met hen mee te doen.
Bims was drummer geweest op de meeste door Tommy Boyce en Bobby Hart geschreven hits inclusief de meeste opnames van The Monkees.
De band begon in Hollywood op te treden tijdens de late uren en al snel hadden ze een een contract als huis band  in de beroemde Studio City nachtclub "The Point After" te Waikiki, Hawaii op het eiland Oahu.
De band begon kort na aankomst in Hawai met het opnemen van hun debuut album "Sweet Marie 1", dat in 1970 via het Yard Bird Records label, waarop hun single "Remember Mary" stond, die de eerste plaats haalde in Hawaii en daardoor ook op het vaste land de aandacht trok en hen een contract met het Liberty label op leverde.
Dat resulteerde in een uitgebreide toer en nadat de band in 1971 in Hawaï terug was en nationale bekendheid had verworven, werd ze de huis band van een club, Captain Nemo genaamd en genoemd was naar een figuur uit het boek 20.000 mijl onder de zee van Jules Verne.
Kort daarna begon Sweet Marie met het opnemen van songs voor hun tweede album "Stuck In Paradise", dat in de Commercial Studios te Honolulu, Hawaï gebeurde en nog in 1971 werd uitgebracht.
Begin 1972 heropende "The Point After" haar deuren als "Sweet Marie's", die gelegen was in het hart van de internationale markt plaats te Oahu en werd de meest succesvolle club van Hawaï, die elke avond stampvol zat met mensen, die een glimp van de band op wilden vangen, die de plaats tot een hit maakte.
Het album klom spoedig tot de bovenste regionen van de hitparade en het nummer "Stella's Candy Store" werd de grootste hit van de band, maar deze keer internationaal, waardoor ze hun opwachting op TV maakten, commercials gingen maken en op traden op het Crater Festival in Hawai met Carlos Santana en andere bands als The Rascals.
In 1973 nam de band zijn derde album op, die niet uitgebracht zou worden en eind van dat jaar ging de band door meningsverschillen uit elkaar.
Roger Maglio van Gear Fab bracht in 2001 de tweede CD van de band "Stuck In Paradise" uit (GF-172) en nu is ook het eerste album "Sweet Marie 1" uit 1970 , via dit label uitgebracht.
De CD begint met de hitsingle "Remember Mary", een lekker klinkende mix van rock en soul, waarin de muziek overeenkomsten vertoont met die van Rare Earth en wordt gevolgd door "Standin' By The River", een swingende rock song, waarin de zang zo nu en dan lijkt op die van Grand Funk Railroad.
Daarna volgt "Sweet Pea", een schitterende mix van rock en funk, die swingt als een trein, waarna "Don't You Understand" volgt en dit is een uitstekende dansbare poprock song.
Dan speelt de band opnieuw een heerlijk swingend nummer, dat aan Rare Earth doet denken, getiteld "If You Love Me", dat gevolgd wordt door "Thru Rusty Windows" en daarin laat de band een mooie ballad horen en tevens prima te kunnen samen zingen.
In "Walk Marie" speelt Sweet Marie een swingende mix van rock & roll en progressieve rock en in "Going Down The Road" is dat een uitstekende mix van rock, blues, jazz en progressieve rock en ook dit nummer swingt.
"Dr. Feelgood" bevat weer prima samenzang en heeft invloeden uit progressieve rock en pop en "Willy Bims" is een fantastische drumsolo van Willy Bims.
Vervolgens speelt de band een schitterende rustige blues song, getiteld "Bugalusa Baby", terwijl de laatste song van het album, "It's Your Love", een swingende funky song is.

Roger Maglio heeft opnieuw een schitterend stuk muziek uit de Amerikaanse rock geschiedenis boven water weten te krijgen en de CD "Sweet Marie 1" is dan ook prima uitgave van het Gear Fab label, die je als sixties/seventees muziekliefhebber niet mag missen.

vrijdag 13 februari 2015

Review: Flipout - Powers Of Blue + Brother T. & Family - Drillín' Of The Rock

Gear Fab 2015-(GF-274)

In de jaren 60 en 70 werden er een groot aantal albums gemaakt, waarbij muzikanten ingehuurd werden om een LP op te nemen van bekende nummers en/of bewerkingen daarvan.
Veel van deze opnamen hebben daardoor geen schrijver of componist achter de titels staan en de albums worden dan ook als "Exploitation" of "Exploito" aangemerkt.
Gear Fab heeft de laatste jaren regelmatig 2 van dit soort albums op 1 CD uitgebracht en ook GF-274 is er daar één van.
Over de band Flipout zijn geen gegevens bekend, behalve dan het feit, dat ze hun instrumentale LP "Powers Of Blue", waar alleen maar covers op staan, in Amerika via het MTA label in 1967 uitbrachten en in Engeland via CBS.
De LP start met "Paperback Writer", waarin de band een prima uitvoering van dit nummer speelt, die gevolgd wordt door "Let's Go Get Stoned", dat in een blues ritme gespeeld wordt en erg lekker klinkt.
Daarna volgt "In The Midnight Hour", een uitstekende swingende instrumentale vertolking van deze soul song en ook "You Blow My Mind" is een swingend nummer.
In "Cool Jerk" laat de band horen in meerdere stijlen muziek thuis te zijn en speelt opnieuw een zeer dansbaar swingend nummer, waarna "Bang Bang" volgt en ook dit nummer wordt natuurgetrouw nagespeeld, alleen verwerkt de band er een stukje Sirtaki muziek in.
"The In Crowd" krijgt een geheel eigen versie, zodat het moeilijk is het nummer als zodanig te herkennen, maar met een beetje moeite lukt dat toch en de uitvoering van "Got My Mojo Working" lijkt sterk op het nummer "Hi Heeled Sneakers", maar klinkt overigens heerlijk.
Vervolgens laat de band hun versie van "The Tracks Of My Tears" horen en ook hierin speelt Flipout een eigen interpretatie van deze soul song, die gevolgd wordt door "Satisfaction", dat uitstekend uitgevoerd wordt en swingt, waarna het laatste nummer "Good Lovin'" volgt en ook dit nummer is zeer herkenbaar en swingt de pan uit.
De tweede LP komt waarschijnlijk van ex-leden van The German Bonds, die onder de naam Brother T. & Family de LP "Drillin' Of The Rock" onder leiding van Herbert Hildebrandt (de oprichter van The Rattles en producer van de LP "Bokaj Retsiem") opnamen.
The German Bonds veranderden later van naam en maakten onder de naam Hell Preachers Inc. een schitterende LP, waarna de band onder de naam Asterix verder ging, die ook een LP maakte, om vervolgens als Lucifer's Friend een aantal fantastische LP's te maken met ex Les Humfries zanger John Lawton in de gelederen.
De andere leden van Lucifer's Friend (German Bonds) waren : Dieter Horns - basgitaar en zang, Peter Hesslein - sologitaar en zang, Peter Hecht - keyboards en Joachim Reitenbach - drums.
De bandleden namen ook LP's op onder de namen Pink Mice, Electric Food, Air Mail en Children Of Quechua, maar ook speelden ze, op John Lawton na, in het orkest van James Last.
Alle 10 nummers op de LP "Drillín' Of The Rock", die in 1970 via het Fass label verscheen, werden door Peter Heslein geschreven, waarbij Manfred Oberdörfler van The Tonics de zang voor zijn rekening neemt.
Het eerste nummer is meteen de titel song "Drillín Of The Rock" en hierin speelt de band een fantastische swingende mix van rock & roll en beat met lichte symfonische en blues invloeden.
Daarna laat de band een heerlijke swingende progressieve rock song horen, getiteld "Lookin' For Barbara", die gevolgd wordt door "Third Degree", een erg mooie rustige song, waarin de invloed van Elvis en van het nummer "A Whiter Shade Of Pale" van Procul Harum te horen zijn.
In "Stranger" laat de band horen hoe enkele jaren later de muziek zal gaan klinken en dit nummer is een mix van de muziek van Mud en Ian Hunter (Mott The Hoople) met een bluesritme gespeeld, waarna de band over schakelt en een lekker in het gehoor klinkende progressieve rock song speelt, getiteld "Stewball".
"Jim Crack Corn" is opnieuw een schitterende progressieve rock song met blues invloeden, waarin enkele prima tempowisselingen zitten en in "Walking Down Paradise Street" laat de band een geweldige mix van blues, rock & roll en progressieve rock horen.
Vervolgens speelt de band "Saga Of The Fly", een fantastische progressieve mix van blues en rock, waarin diverse tempowisselingen zitten en in "Oh Love" speelt de band, in een gemiddeld tempo, ook nu weer een uitstekende progressieve rock song, waarna het laatste nummer volgt, getiteld "Brother T." en hierin laat de band een mix van soul en funk horen, die in een zeer dansbaar ritme gespeeld wordt en subtiele invloeden uit de progressieve rock bevat.
Roger Maglio is er ook nu weer in geslaagd een CD samen te stellen van 2 LP's, die ten onrechte door het grote publiek over geslagen zijn, maar alsnog een herkansing krijgen via deze uitgave, waarbij aangemerkt kan worden, dat de LP "Drillín' Of The Rock" van Brother T. & Family een juweeltje is, dat je minstens gehoord moet hebben